Vertaling: Hans van den Bos
Vanaf de bergtop
stijgt de zee tot aan de hemel.
Beneden tussen het golvende groen
van jonge bladeren,
klinkt zachtjes de roep van een koekoek.
Als je zo hoog staat en de wind voelt,
denk je vanzelf aan de wijdsheid van de wereld.
Ik houd mijn hand voor mijn mond,
want ik heb de neiging iets naar beneden te roepen.
In mei zijn de bergen oogverblindend helder.
Heb je ooit de horizon gezien,
in de vorm van een grote blauwe boog
boven de bergtoppen?
op de uitgestrekte zee van Musashino.
Ik stond op het perron van de Tobu Tojo-lijn in Ikebukuro,
gekleed in dezelfde reiskleding.
Ik keek om me heen, maar er was niemand.
Ik riep luid, maar niemand antwoordde.
al mijn metgezellen,
al mijn kennissen waren verdwenen,
hun lot onbekend.
dat plotseling flikkerde in de avondmist,
toen al zag.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten