Pages

17/03/2026

Oscar Wilde door Brendan Behan

Orginele titel: Oscar Wilde

Het graf van Oscar Wilde
op de begraafplaats Père Lachaise
in Parijs, Frankrijk.
Het duurde negen tot tien maanden
om het te voltooien
door de beeldhouwer Jacob Epstein,
met een bijbehorende sokkel
van Charles Holden
en een inscriptie gebeiteld
door Joseph Cribb.
Vertaling: Hans van den Bos 


Oscar Wilde
 
                 Voor Seán O’Sullivan
 
Oscar Wilde, Poète et Dramaturge, 
né à Dublin le 15 Octobre, 1856, 
est mort dans cette maison le 30 Novembre, 1900
 
Na al de conflicten,
die hij in zijn leven veroorzaakte,
verwoest door angst,
ligt uitgestrekt in de schemer,
het vrolijke losbandige lijf
zwijgzaam in het donker,
stil, de rouw-kaarsen druipen.
Het elegante lichaam,
de krachtige blik, leeg
in een koude kale kamer
met een conciërge die kwaad is
vanwege te veel aandacht
voor een vreemde pimpelaar
die vertrok zonder de fooi
van tien procent te betalen.
Verdreven uit de Flore
naar een vrome woestijn,
is de jonge prins der zonde
een verlepte vrek geworden,
het gouden juweel van de lust
ver achter zich gelaten,
geen Pernod om hem te troosten
alleen wijwater,
de jonge koning van de Schoonheid
een verkrachte Narcissus,
als de ster van de reine Maagd
op het water straalt.
 
Envoi
Verrukkelijk is het pad der zonde
maar een gewijde dood is een habijt.
Een jofele vent was je, Oscar,
in alle opzichten.

15/03/2026

Van Homoboeken tot Duivelsverzen

Eerder gepubliceerd in: Rotterdam Vandaag & Morgen, 11 mei 2015 en in Joyceance 31 december 2015


Naar aanleiding van een advertentie in Het Vrije Volk solliciteerde ik in 1968 naar de vacature voor 'assistent in de boekhandel'. Na een persoonlijk gesprek in de winkel op de Middellandstraat werd ik verkozen boven zo'n dertig andere sollicitanten. 
De eerste zes maanden bracht ik door in de  winkel in Rotterdam en daarna zes jaar in het filiaal in Dordrecht, hoewel ik regematig moest invallen in Rotterdam.
Wekenlang mocht ik niets anders doen dan boeken recht zetten en stoffen, de klanten moest ik doorverwijzen naar mijn chef. Na verloop van tijd was het mij toegestaan kranten en tijdschriften af te rekenen. Maar na een paar maanden mocht ik ook de andere klanten helpen. Er gingen regelmatig klanten rechtstreeks naar het kantoortje achter in de winkel. De klant kwam daarna met een pakje waar de prijs op geschreven stond naar de kassa en ik moest dat bedrag dan met hem afrekenen. Toen dit verschillende keren gebeurd was, vroeg ik mijn baas, wat er in die pakjes zat, waarop hij kribbig reageerde met de woorden : 'Dat gaat je geen bliksem aan'.

Op zekere dag, ik was alleen in de winkel, kwamen er twee mannen binnen. Zij liepen eerst wat rond te kijken, waarna een van hen naar de toonbank kwam en vroeg of we ook homo lectuur in voorraad hadden. Ik wees hem een kastje met boeken, waarin schrijvers stonden als Reve, Van Deijssel, Blaman, Baldwin, Genet, Couperus, Isherwood, enz. Hij zei dat hij die niet bedoelde, hij wilde iets met foto's. Ik vertelde hem dat we zulke boeken niet in de voorraad hadden en ze verlieten zonder iets te kopen de winkel. Toen kort daarna mijn baas terug kwam vertelde ik hem over de twee mannen. Hij schrok, ging naar de telefoon, belde zijn vriend, die ook regelmatig klussen voor hem deed en verzocht hem zo snel mogelijk langs te komen. Hij was er binnen een uur en sjouwde zo'n tien volle dozen naar zijn auto en reed er mee weg. Later drong het tot me door, dat die twee mannen van de recherche waren en dat er in die pakjes, die van achter kwamen, boeken zaten die niet door de christelijke beugel konden.

Jaren later, ik was reeds lang de eigenaar van de boekhandel, verscheen het wereldberoemdeboek 'The Satanic Verses' van Salman Rushdie, waarvan een vertaling verscheen in 1989. Om dat boek werd hij in 1989 getroffen door een zogenaamde fatwa van de Iraanse moslim-geestelijke Khomeini, waardoor hij vogelvrij werd verklaard en kon worden vervolgd.
Ik was zo onder de indruk van dat gedoe, dat ik vond dat ik het boek extra aandacht moest geven. Ik verhoogde de bestelling die ik geplaatst had bij de uitgever met enkele tientallen en toen zij binnen kwamen richtte ik er de etalage mee in. Ik plaatste het boek 'Massa en macht' van Elias Canetti op een verhoging midden in de etalage en omwikkelde die verhoging met een zwart zijden laken en spreidde het laken verder over de bodem van de etalage . Aan de voet van die verhoging zette ik een stapeltje Rushdie's met daar omheen boeken die vroeger in allerlei landen verboden waren; o.a. titels van Joyce, Lawrence, Nabokov, Henry Miller, de Sade, Solsjenitsin, enz.
Van alle kanten, werd er via de pers gewaarschuwd voorzichtig te zijn met het naar voren brengen van De duivelsverzen. Ik trok me er niet veel van aan, maar schrok wel een beetje toen ik schreeuwende mensen met spandoeken aan zag komen, maar gelukkig passeerden zij mijn winkel, zonder zelfs maar een blik in de etalage te werpen. Kort daarna hoorde ik dat er een demonstratie tegen het boek was geweest op de Coolsingel bij De Slegte. Waarom? Ik nam aan, dat deze tweedehands boekhandel geen Duivelsverzen in voorraad had. Het boek was te nieuw en nog niet gestolen.
Na een paar dagen kreeg ik bezoek van een jongen van ongeveer twaalf, die mij in plat Rotterdams vertelde dat zijn vader, die uit Marokko kwam, het niet goed vond dat mijn winkel het boek van Rushdie verkocht. Ik zei hem, dat zijn vader dat mocht vinden, maar dat ik tegenwoordig in Nederland zelf mag uitmaken wat ik verkoop. Hij bedankte me heel beleefd voor mijn antwoord en verliet de winkel.
Een ander bezoek kreeg ik een week later. Een mij onbekende vrouw van rond de veertig kwam de winkel in met een bos bloemen. Zij overhandigde mij de bloemen met de woorden: 'Ik vind het zo moedig van u dat u dat boek verkoopt. Ze moeten die pokke Turken allemaal het land uittrappen. Nederland is van de Nederlanders.' Ik gaf haar de bloemen terug en zei dat ik die etalage niet had gemaakt om moslims te pesten, maar ter ere van Salmon Rushdie en ik vroeg of ze zo snel mogelijk mijn winkel wilde verlaten.
De volgende dag heb ik de Duivelsverzen uit de etalage gehaald en op de toonbank gestapeld, doch Massa en Macht heb ik nog een tijdje laten staan.

12/03/2026

Een Dubliner rouwt om de Blaskets by Brendan Behan

Originele titel: A Jackeen Laments the Blaskets  
Vertaling: Hans van den Bos - Eerder gepubliceerd in: Tortuca nr. 13 (2002)

Brendan Behan
[1923-1964]





Een Dubliner rouwt om de Blaskets
                                               Voor Seán Ó Brian uit Ballyferriter

De grote zee ligt er als een spiegel onder de zon,
met nergens een boot, geen levensteken van een zondaar,
de steenarend in de verte hoog in de lucht, het laatste
spoor van leven bij de geruïneerde in de steek gelaten Blaskets.

De zon gaat onder, de schaduw van de nacht verspreidt zich
als de maan, opkomend, door een wolk, kouwelijk haar
spookachtige vingers strekt over de stille aarde waar,
vervallen, de geraamtes van de verlaten huizen staan

- onuitgesproken veilig voor de vogels die huiswaarts vliegen,
blij om terug te zijn, hun kop in hun veren verborgen
en de wind zucht, zacht gaat een halve deur heen en weer,
vlakbij koude natte haarden, hun vuren voorgoed gedoofd.

Mountjoy, augustus 1948

John Kenneth (Ken) Monaghan

 

Ken Monaghan (1925-2010), was de zoon van Mary Kathleen (May) Joyce-Monaghan, een zuster van James Joyce. Hier met toeristen uit Nederland tijdens hun 5 daagse bezoek aan Dublin, Ierland, van 7 t/m 12 maart 1990. Deze foto van Ken werd genomen op 10 maart bovenop de James Joyce Tower in Sandycove, de plek waar Joyce's roman Ulysses begint.  


Photograph © Hans van den Bos
Nikkormat FTN
Nikkor-S auto 1:28 f-35 mm 329967




08/03/2026

De Brandgans












De Brandgans
                Branta leucopsis

''Spontaan ontstond hij uit drijvend wrakhout'',
dacht de middeleeuwse geestelijke Giraldus Cambrensis uit Wales,
neef van bisschop David van St. David kathedraal.
Hij had dit idee opgepikt tijdens een bezoek
met prins Jan zonder Land aan Ierland in 1185.
 
Giraldus schreef in zijn Topographica Hibernica:
''Er zijn hier vele vogels met de naam Bernaca;
de natuur schept ze – hoogst uitzonderlijk –
op tegennatuurlijke wijze.
Ze groeien op dennenhout, dat in zee is geworpen
en zijn in het begin een soort gom.
Later klemmen ze zich met hun snavel aan het hout
en hangen als zeewier af in het water.
Ze zijn dan omsloten door een schelp,
zodat ze ongestoord kunnen groeien.
In de loop van de tijd tooien ze zich met een sterk verenkleed,
waarna sommige in het water vallen,
maar andere vrijelijk wegvliegen, de hemel in.
Ze halen hun voedsel en hun groei uit zee
of uit het boomsap van het drijfhout
of via een geheim, wonderbaarlijk voedingsproces.
 
Ik heb herhaaldelijk met eigen ogen
meer dan duizend van zulke jonge vogels
aan een stuk drijfhout in het water zien hangen,
ingesloten in hun schelp en al redelijk gevormd.
Ze leggen dan ook geen eieren, zoals andere vogels
en broeden nooit, noch schijnen ze
– in welke uithoek van de aarde ook – een nest te bouwen.’’
 
Vandaar dat bisschoppen
en andere geestelijken in delen van Ierland
er niet voor terugschrikken in de vastentijd deze vogels te eten.
Immers, ze zijn niet van vlees, noch geboren uit vlees.
 
Nog vele Ieren eten gans uit traditie met kerst,
hoewel de kalkoen het inmiddels wint.
Ook deze kwam voor het eerst van zee,
maar dan in houten schepen.


The Dodder in Dublin


 (Rivier genoemd in James Joyce's Ulysses)

 27 augustus 1994

Photograph © Hans van den Bos
Nikkormat FTN
Nikkor-S auto 1:28 f-35 mm 329967
 

06/03/2026

Ochtendgloren

 29 november 2012

Photograph © Hans van den Bos

Nikon F3 

Nikkor-S auto1:28 f=35mm 329967



Kokmeeuwen

Chroicocephalus ridibundus

12 februari 2016

Photograph © Hans van den Bos

Nikon F3 

Sigma UC zoom 28-70mm 1:3.5-4.5

05/03/2026

De Misantroop


I.
 
Op een herfstige vrijdagavond in 1981, net voor sluitingstijd, bezocht Versluis voor het eerst mijn boekhandel. Ik zat achter in de winkel aan mijn bureau en had, tot op dat moment, die avond nog geen klant gezien. Versluis was van middelbare leeftijd, grijzig haar, een nors gezicht en droeg een grijs kostuum, een wit overhemd met stropdas, daarover een crème kleurige regenjas. Ik stond op, liep naar hem toe en vroeg of ik hem kon helpen. Hij antwoordde, dat hij geïnteresseerd was in de verzamelde werken van F.C. Terborgh, die in de etalage stonden. Ik pakte de vier delen en liet ze hem zien. Nadat Versluis ze ingekeken had, zei hij, dat hij ze wilde hebben en legde er geld voor op de toonbank. Ik deed de delen, tezamen met een aantal folders over Nederlandse litteratuur, in een plastic tasje. Met een bijna onverstaanbare groet verliet Versluis daarna de winkel.
Twee weken later liep Versluis er weer op vrijdagavond binnen. Hij gaf een lijstje met titels van nog te verschijnen boeken en vroeg deze boeken voor hem te reserveren. Ik zag, dat hij op het lijstje zijn naam en adres had geschreven en zei hem, dat ik een kaartje zou sturen zodra de boeken binnen waren. Versluis vond een kaartje niet nodig en antwoordde, dat hij elke vrijdagavond langs zou komen om te kijken of er iets voor hem was aangekomen.
Versluis kwam vanaf dat moment trouw elke week, kocht de boeken die voor hem gereserveerd waren en tevens nog wat titels uit de winkelvoorraad. De wekelijkse aankopen werden steeds groter, bijna alle Russische vertalingen van uitgeverij Van Oorschot, werken over geschiedenis, klassieken van uitgeverij Athenaeum, verzamelde werken en diverse Nederlandse en vertaalde auteurs.
Contact met Versluist had ik bijna niet, zijn enige conversatie was:  Kunt u dit bestellen, deze wil ik hebben, wat moet ik u betalen en tot de volgende week.
Dit ging zo een paar jaar door, totdat het mij opviel, dat Versluis al een aantal weken niet meer was geweest. De stapel gereserveerde boeken werd steeds groter. Ik besloot toch maar een kaartje naar hem te sturen met de vraag of hij contact op wilde nemen. Na een week kwam er een man de winkel binnen, die zich bekend maakte als een familielid van Versluis. Hij vertelde mij, dat Versluis, nadat deze de laatste keer in mijn boekhandel was geweest, een honderd meter verder op de oversteekplaats van de Henegouwerlaan was aangereden. Hij was er slecht aan toe, een van zijn knieën was totaal verbrijzeld en hij lag sinds die tijd in het ziekenhuis. Er moesten nog een paar operaties plaats vinden, waarna hij zeker nog een aantal maanden moest revalideren.
Versluis liet vragen of ik alle boeken, waarvan ik vermoedde dat hij belangstelling had, apart wilde houden. Hij zou dan, zodra hij daartoe instaat was, ze in één keer op komen halen. Ik beloofde dit te doen en vroeg de man het adres van het ziekenhuis, zodat ik Versluis beterschap kon wensen. De week daarop liet ik door een bloemenhandel een flinke bos rozen in het ziekenhuis bezorgen.
 
Een paar maanden later stopte er op vrijdagavond voor mijn boekhandel een taxi, waar Versluis geholpen door de chauffeur en twee krukken uitstapte. Ik bood Versluis een stoel aan bij de toonbank en hij ging met moeite zitten. Hij bedankte voor de rozen, die ik hem gestuurd had en gaf me een lange lijst met boektitels. Hij vroeg mij of ik deze wilde bestellen en zei, dat hij voortaan al zijn boeken alleen nog bij mij zou kopen, want andere boekhandels hadden aan het verzoek van zijn neef, om de boeken te reserveren, niet willen voldoen. Na een kort gesprek over de beweegredenen van mijn collega boekverkopers, vroeg ik of hij misschien een kop koffie wilde. Versluis antwoordde, dat als het niet te veel moeite was, hij dit graag accepteerde. Tijdens de koffie ontstond er een aardige conversatie over litteratuur en geschiedenis. Na een klein uurtje maakte ik de rekening voor de boeken op. Het was een aanzienlijk bedrag dat Versluis moest betalen, maar dat was geen probleem. Naast het bedrag van de rekening gaf hij nog een briefje van duizend extra en zei, dat ik dit als tegoed moest opschrijven, omdat als er onverhoopt iets met hem gebeurde de boekhandel geen schade zou hebben. Kort daarop kwam de inmiddels door mij gebelde taxi voorrijden. Ik laadde twee grote dozen met boeken in de kofferbak van de taxi en wenste Versluis, die inmiddels op de plaats naast de chauffeur zat, een goed weekeinde.


II.

Versluis kwam hierna weer elke vrijdagavond, alleen nu met een taxi en al rond 7 uur en ging dan pas om een uur of 10 weer weg. Tussen de gesprekken over boeken vertelde hij mij, dat hij was geboren op Kinderdijk, het dorp met de molens, vlakbij Rotterdam. Na zijn schooltijd was hij in Capelle a.d. IJssel, als jongste bediende, op het kantoor van een scheepswerf gaan werken, waar hij zich had opgewerkt tot boekhouder. Rond zijn twintigste was hij op kamers in Rotterdam gaan wonen. Omdat ongeveer een jaar voor het ongeluk de vele boeken een probleem gingen vormen bij zijn laatste hospita, had hij maar besloten een woning te huren.
''Ik heb ooit eens een leuk vrouwtje ontmoet'', vertelde hij op een avond: ''Ze woonde ergens in Ommoord in een hoge flat. Ik was er elk weekeinde, ze kookte dan voor me en zorgde dat er een goede cognac in huis was. Als ze ’s avonds in de keuken bezig was, keek ik televisie. Dat ding stond in de hoek bij het raam, zodat ik niet alleen het wereldnieuws zag, maar ook alles wat er in Ommoord in de andere flats gebeurde. De meeste Nederlanders doen hun gordijnen niet dicht, omdat ze willen laten zien hoe goed ze het hebben. Wat me opviel was, dat waar ik ook keek, ik mannen zag zitten in een luie stoel voor dat rot ding, terwijl hun vrouwen in de keuken bezig waren met het eten koken of met de afwas. Na een heleboel van die weekeinden kon ik het niet meer aan zien, ik ben opgestaan, heb mijn jas aangetrokken en ben zachtjes weggegaan. Ik heb haar nooit meer gezien. Dat samenleven wordt op een gegeven moment een sleur, je hebt er niets aan. Kijk nou is naar jouw huwelijk, is dat zo lekker? Ik hoor wel eens wat als ik hier zit. Ze is nooit thuis als je haar nodig hebt, ze is dan naar haar moeder, naar de stad, het strand, of weet ik veel waar naartoe. Soms als je ziek bent vervangt ze je op haar manier, maar dan loopt ze wel de hele dag te klagen. Ach ja, ze zet wel eens koffie en kookt je eten ’s avonds, maar daar heb je geen vrouw voor nodig''.
 
Een jaar na zijn ongeluk ging Versluis weer aan het werk. Het lopen bleef pijnlijk, hij gebruikte nog altijd een kruk en ging daarom elke dag naar Capelle a.d. IJssel heen en weer met een taxi, die betaald werd door de verzekering. Na verloop van tijd en na vele keuringen gaven ze hem een aangepaste auto, omdat ze inzagen, dat de taxikosten nog wel jaren konden gaan duren. Maar hij had de auto nog geen jaar, toen de scheepswerf in financiële moeilijkheden kwam. Er zouden vele mensen ontslagen gaan worden. Versluis konden ze nog wel een tijdje gebruiken, maar hij wilde niet meer en stelde de directie voor om hem maar te ontslaan, zodat in zijn plaats een jonge vent met een gezin kon blijven werken. Hij kreeg zijn zin en ging de w.w. in en moest daarna natuurlijk regelmatig solliciteren, maar gelukkig voor hem wilde niemand een 55 jarige manke boekhouder hebben, die niets van computers wist.
''Moet je die duizend gulden niet terug hebben, die je mij gegeven hebt als voorschot?'' vroeg ik hem op zekere dag. “Je moet niet denken, dat je van me af bent”, antwoordde hij: “Ik ben niet voor niets 30 jaar boekhouder geweest. Al die jaren heb ik goedkoop geleefd. Geen vrouw en kinderen, begrijp je, dus ik heb een aardige spaarrekening, waarmee ik nog heel wat boeken kan kopen en als dat geld op is zijn we zeker heel wat jaren verder en daarna zet ik er een punt achter.”
Na zijn ontslag kwam Versluis ’s morgens in plaats van op vrijdagavond. Meestal op vrijdagochtend om half elf en hij bleef dan tot een uur of drie in de winkel zitten. Ik schonk hem ongeveer elk uur een kop koffie in en hij bekeek op zijn gemak de rondlopende klanten, terwijl hij constant shagjes rookte. Hij voelde zich bezwaard voor al die koffie, want na korte tijd werd het een vast ritueel, dat hij maandelijks een pak koffie en suiker meenam, zodat ik geen extra kosten aan hem had. Als de vervoerscentrale om ongeveer 1 uur dozen met boeken bezorgde, stond Versluis op en bleef nieuwsgierig, als een kind naar de zak van Sint-Nicolaas, bij mij staan totdat ik alles had uitgepakt en hij reserveerde gelijk de titels die hij wilde hebben.


III.
 
Kort nadat ik gescheiden van mijn vrouw was, nodigde hij mij uit om op een avond een biertje bij hem te komen drinken. Omdat ik benieuwd was naar zijn boekenverzameling maakte ik gelijk een afspraak met hem voor de volgende dinsdag. Ik moest van hem na het aanbellen een paar stappen terug doen, zodat hij door het raam kon zien dat ik het was, want hij vertelde me, dat hij normaal nooit open doet.
Die dinsdagavond wandelde ik naar Versluis' huis, belde aan en terwijl ik achteruit liep zag ik hem de gordijnen opzij schuiven. Ik stak mijn hand op ging terug naar de deur. Na een paar minuten hoorde ik een sleutel in het slot en de deur ging open. Versluis nodigde me uit binnen te komen en waarschuwde  zijn nek niet te breken over de rommel, want het licht was kapot. De gang was bezaaid met folders en oude kranten en er hing een muffe, vochtige lucht. Ik volgde Versluis een kale trap op en kwam op een donkere overloop, waar het rook naar een mengsel van bloemkool en spruiten, die dagen hadden staan pruttelen. Hij opende een deur en liet me voor gaan. Ik keek mijn ogen uit; het was een lange smalle kamer, waar ik ook keek zag ik boeken. Drie wanden waren bekleed van vloer tot plafond met volgepropte boekenkasten, op de vloer voor de kasten stonden stapels boeken van meer dan een meter hoog en op de vensterbank lagen twee rijen boeken, overwoekerd door een enorme kamerplant. Onder het raam, verlicht door een staande schemerlamp, stonden een oude fauteuil en een soort kloostertafel, bedekt met boeken en vuil serviesgoed. Aan de andere kant van de kamer, naast een deur in de boekenkast, stond een zelfde groep meubilair. Alles in het huis was smerig, helaas ook de prachtige boeken die Versluis had verzameld. Hij zei dat ik kon gaan zitten en ging de kamer uit. Hij kwam terug met twee flesjes bier, die hij opende met een rondzwervende nijptang en gaf mij een flesje. Met een soort theedoek probeerde hij een vuil glas, dat hij tussen de boeken vandaan te voorschijn toverde, schoon te maken en vroeg mij of ik ook een glas wilde. Ik zei maar gauw dat ik liever rechtstreeks uit het flesje dronk en proostte op zijn gezondheid.
Natuurlijk ontstond er, na wat anekdotes uitgewisseld te hebben, een gesprek over boeken, met name over de Russische geschiedenis en -litteratuur, waarmee Versluis meer dan twee kasten vol had staan. Het was duidelijk dat Rusland zijn grote liefde was en dat hij een enorme bewondering had voor Tsjechov. Tsjechov was fenomenaal, volgens Versluis. Hij was de grootste aller Russische schrijvers. Als iemand iets wil weten over het Russische leven, dan moet hij de verhalen van deze schrijver lezen. Hij schreef ze in de negentiende eeuw tijdens het tsarisme, maar men kon ze ook plaatsen tijdens het zogenaamde communisme, of nu, na de val van het communisme in het nieuwe Rusland. Er zal daar niets veranderen, een Rus blijft een Rus.
Versluis had een zwak voor Rusland, waarom was me niet helemaal duidelijk, want ik had begrepen dat hij niets van het communisme moest hebben. Misschien omdat het land zulke grote schrijvers had voortgebracht. Voor andere landen had Versluis geen goed woord over en hij hekelde in het bijzonder de westerse kapitalistische landen, dat waren allemaal grote boeven. Eigenlijk was in zijn ogen de hele politieke wereld rot en misdadig en het stomme volk liet zich met loze beloften maar zoet houden. Af en toe probeerde ik wat tegen zijn negativisme in te brengen en merkte onder andere op, dat er de laatste honderd jaar toch wel wat was verbeterd in de wereld, maar toen ik daarvan een voorbeeld gaf, wuifde Versluis het achteloos weg en zei bijna agressief: ''Je begrijpt er niets van, je laat ook inpakken, wacht maar af, je komt er wel achter''.
Inmiddels werd de druk op mijn blaas te veel, ik stond op en zei, dat ik even van het toilet gebruik ging maken. Ik liep de kamer uit en koos in de donkere gang de verkeerde deur, zodat ik plotseling in de keuken stond. Het stonk er, op het smerige fornuis stond een steelpan met wasgoed te dampen en op het aanrecht lagen boeken tussen vuil servies. Ik draaide me om, ging de gang weer in en hoorde vanuit de kamer, dat ik rechtsaf had gemoeten. Ik deed de andere deur open, wist het lichtknopje te vinden en er openbaarde zich een w.c. die in jaren niet was schoongemaakt. Naast de toiletpot en op de vloer in de douche ruimte lagen vuile kleren. Ik deed mijn behoefte zo snel mogelijk, pakte de hoogste plek van het stuk touw dat aan de trekker hing en trok door. Er klonk wat gesputter, echter wat er moest gebeuren, gebeurde niet. Ik probeerde het nogmaals, maar er kwam geen water door de pijp naar beneden. Wederom klonk de stem van Versluis vanuit de kamer, die mij riep, dat het ding al weken kapot was en dat hij later wel een emmer water in de pot zou gooien. Ik deed het licht uit en keerde terug naar de woonkamer, waar Versluis zijn complete verzameling kleine boekjes van de Klassieke Galerij te voorschijn had gehaald. Hij liet ze een voor een aan mij zien, zoals andere mensen foto's tonen.
Toen ik mijn vierde biertje op had, vond ik het genoeg en zei tegen hem, dat ik naar huis moest, omdat ik met mijn hond nog een rondje wilde lopen en dat het arme beest ook nog niet gegeten had. Versluis volgde mij de donkere trap af met een zaklantaarn en zei: ''Tot vrijdag'' en deed de buitendeur achter mij op slot.


IV.
 
Het was ongeveer een jaar later, dat ik aan Versluis vertelde, dat ik kennis had gemaakt met een Engelse vrouw, een zangpedagoge en klassiek zangeres. Ik kende haar al een aantal weken en zou binnenkort met haar op bezoek gaan bij haar vader in Engeland.  Hij schudde verbaasd zijn hoofd en mompelde, dat ik niet goed wijs was. Hij legde met een klap het boek neer wat hij in zat te kijken en zei geagiteerd: ''Hoe kom je erbij? Twintig jaar van je leven verpest met dat vorige wijf en na een jaar van rust begin je aan de volgende ellende. Ik dacht dat je met een vriend naar Ierland zou gaan. Laat je hem nou stikken?'' ''Helemaal niet'', antwoordde ik lachend: ''Ik ga eerst met haar voor een week naar Somerset, van daaruit rij ik met de auto naar Fishguard in Wales, vaar dan over naar Rosslare en rij daarna naar Cork. Die vriend van mij gaat die zelfde dag met het vliegtuig vanuit Amsterdam en we zien elkaar dan de volgende dag in Cork, waarna we veertien dagen rond gaan trekken''. Versluis haalde zijn schouders op en mompelde iets onverstaanbaars. Ik schonk hem nog een koffie in en ging een klant helpen.
Een paar maanden na mijn vakantie stelde ik mijn vriendin, die inmiddels bij mij boven de zaak was komen wonen, voor aan Versluis. Terwijl ik bezig was met een vertegenwoordiger, had zij met Versluis een gesprek over haar werk als zangeres. Kort daarna, toen ze weer alleen waren, zei Versluis: ''Ze lijkt me op het eerste gezicht wel sympathiek en ze heeft een intelligentie die niet veel voorkomt bij vrouwen. Maar waarom ze nu gelijk bij je in moet trekken begrijp ik niet, je bent daardoor je vrijheid weer kwijt.'' ''Het kan iets met liefde te maken hebben,'' antwoordde ik hem met een glimlach en vervolgde: ''Ik heb haar daartoe zelf uitgenodigd, want ik vind de relatie met haar belangrijker dan mijn zogenaamde vrijheid. Echte vrijheid bestaat niet, de vrijheid waar jij het over hebt noem ik eenzaamheid.'' ''Nou, daar zijn we het dan niet over eens'', reageerde hij nors: ''Ik heb vrijheid, ik kan doen en laten wat ik wil, trouwens die liefde waar jij het over hebt kan zo over zijn en dan begint het gelazer weer opnieuw.'' ''Nog een kop koffie?'' vroeg ik. ''Nee, laat maar, pak mijn boeken maar in, ik denk dat ik maar eens op huis af ga,'' antwoordde hij: ''Het is al bijna vier uur''.


V.
 
Mijn vriendin, kwam tussen het lesgeven meestal 's morgens de winkel in voor een kop koffie en bracht mij rond het middaguur mijn lunch. Zo ook elke vrijdag als Versluis op zijn stoel achter in de winkel zat. Langzamerhand ontstond er tussen haar en hem een zeker vertrouwen en hij luisterde met plezier naar haar verhalen over haar optredens en lespraktijk. Hij ging zelfs zo ver, dat hij een aantal keren een concert van haar bezocht en aan mij bekende zeer onder de indruk te zijn van haar stem.
Inmiddels gingen de zaken in de boekhandel steeds verder achteruit. De afbraak van de oude huizen veroorzaakte, dat de klanten, waaronder vele studenten uit de wijk verdwenen waren. De gerenoveerde en nieuw gebouwde huizen werden voor een belangrijk deel bevolkt door mensen uit andere culturen. Dit waren voor groot deel laag opgeleide mensen, die niet geïnteresseerd waren in de voorraad van mijn boekhandel. Ik probeerde het nog met een collectie Surinaamse en Antilliaanse boeken en Engels – en Nederlandstalige series van derde wereld schrijvers, maar het mocht allemaal niet baten. De zeldzame kopers van deze boeken, waren meestal Nederlanders die vanwege hun werk te maken hadden met immigranten.
Op advies van de bank en een aantal vrienden ging ik op zoek naar een andere locatie. Ik vond deze in een door de gemeente ontwikkelde zogenaamde kunststraat, in de buurt van oude en nieuw gebouwde musea. Mijn oude pand werd tot mijn verbazing heel snel verkocht aan een belegger uit Hongkong en ik huurde van de gemeente het nieuwe pand in de kunststraat. Samen met vriendin was ik een maand bezig met de inrichting en de verhuizing. De dag van de opening was grandioos, nog nooit had ik zulk een omzet gehad. Iedere bezoeker was laaiend enthousiast en ik ging er vanuit, dat mijn zaak een goede toekomst tegemoet ging.
Ook Versluis was erg enthousiast over de nieuwe winkel. Hij kwam ook daar elke vrijdag, alleen hij was er pas rond elf uur, omdat de loopafstand was verdrievoudigd. Halverwege wist hij een bank, waarop hij een kwartiertje kon uitrusten, want met dat been van hem was het onmogelijk de afstand in een ruk te overbruggen. Alleen als het erg slecht weer was, dan nam hij de tram.
Hij klaagde al een tijdje over doofheid en pijn in zijn linker oor en zei dat het steeds erger werd. Ik had hem al verscheidene keren geadviseerd een bezoek te brengen aan een oorarts, maar hij gooide het telkens op ouderdom. Doch op zekere dag vertelde hij mij dat hij in Dijkzicht bij een oorarts was geweest en dat het probleem was opgelost. Er was gebleken, dat er in zijn oor een stuk watten van waarschijnlijk een wattenstokje was verzeild geraakt en dat de arts het verwijderd had. Wel was zijn oor nog ontstoken, maar zijn gehoor was al een stuk beter.


VI.
 
De zaken gingen in mijn boekhandel niet veel beter dan in het oude pand. De zogenaamde kunststraat ontwikkelde zich niet zoals de gemeente had beloofd. Inmiddels waren er wel een architectuur museum vlakbij en een foto museum aan de overkant geopend, maar het publiek van deze instituten liet de kunststraat verder links liggen. Ook omdat de musea, waaronder o.a. ook Boymans die vijf minuten verder zat, zelf boeken verkochten. Die boekenverkoop gebeurde daar ook op zondagen als mijn boekhandel verplicht gesloten was. Ik liet het er niet bij zitten en ging op zondag illegaal open. Doormiddel van advertenties maakte ik het kenbaar aan het publiek. Na een aantal zondagen kwam er een agent van het politiebureau in straat de zaak in en vroeg aan mij waarom de zaak open was. Ik vertelde de agent dat ik geld wilde verdienen, maar dat ik geen toestemming had om mijn zaak op zondag open te stellen. De agent zei me, dat hij het door zou geven aan zijn superieuren en verdween op zijn fiets. Een paar uur later bezocht een brigadier mijn zaak en ik legde hem uit dat Boymans, een gemeente museum, een boekhandel heeft waar een ieder, zelfs zonder museum bezoek op zondag kan binnenlopen en boeken kan kopen. Waarom zou mijn boekhandel dan niet open mogen zijn? Deze politieman wenste mij veel succes en wandelde terug naar zijn bureau. In de weken daarna werd ik regelmatig ondervraagd door journalisten van lokale en landelijke dagbladen en zelfs de nationale radio had belangstelling.
Mijn boekhandel werd ook op een zondag bezocht door de burgemeester en zijn partner, zij stelden zich aan mij voor maar spraken niet over openingstijden. Zij bekeken een kwartiertje wat boeken en verlieten de zaak zonder aankoop.
In het begin had ik het door de publiciteit een stuk drukker, maar na ongeveer een half jaar openden in den lande vele winkels en warenhuizen hun deuren op zondag, daar de wet het inmiddels toestond. Hetgeen betekende dat de aanloop op zondag bij mijn boekhandel weer terug liep.
Iets langer dan een jaar later had ik een lang gesprek met mijn boekhouder, ik zag het niet meer zitten in de kunststraat. Mijn boekhouder adviseerde me er per direkt mee te stoppen en ik sloot, na een opheffings uitverkoop, de boekhandel waarin ik zo'n 30 jaar van mijn leven had doorgebracht. Versluis was diep teleurgesteld, maar ik sprak met hem af dat het geen einde van ons contact behoefde te zijn en stelde voor dat we de vrijdagen gewoon bij mij thuis konden voortzetten. Het geen ook een half jaar lang gebeurde, maar daarna kwam er langzaam de klad er in. Ik zag Versluis steeds minder en na verloop van tijd was het helemaal afgelopen. Ik ging wel eens naar zijn huis maar er werd nooit opengedaan en telefoneren was niet mogelijk daar Versluis dat apparaat nooit in huis had willen hebben.
 
Voordat ik naar Ierland emigreerde ging ik voor de laatste maal naar het huis van Versluis. Ik belde aan en er werd opengedaan door een Turkse vrouw. Ik vroeg haar of zij ene Versluis kende. Zij antwoordde in half verstaanbaar Nederlands dat zij nooit van die naam had gehoord en dat zij er pas een half jaar woonde. Op mijn weg terug zag ik op de hoek van de straat het buurtwinkeltje waar Versluis altijd zijn boodschappen deed. Ik ging er naar binnen en vroeg het meisje aan de kassa naar de eigenaar. Zij wees naar achteren waar een man vakken aan het vullen was. Ik liep naar hem toe en vroeg hem of hij Versluis van nummer 35 kende. De naam kende hij niet, maar wel die mijnheer van 35 met dat manke been. Hij bezorgde er altijd bier en wat etenswaren, maar toen opeens was hij verdwenen en een tijd later werd het huis gerenoveerd. Hij wist niet waar hij naar toe was gegaan. Thuis gekomen belde en schreef  ik naar diverse instanties, maar die wilden of konden geen informatie verstrekken.

Terug naar Mangan’s Bay

 
Terug naar Mangan’s Bay
 
In de verscholen witte cottage
klinkt het tikken
van de meterklok.
Op de tafel
voor het raam,
met uitzicht
op een groen grasveld,
wachten,
omringd door boeken,
pen en papier op woorden.
 
Cirkelend rond de cottage
laat de herfstwind
zich fluitend horen;
wolken scheren
door het luchtruim.
Twee zwarte honden
ravotten op het gras,
wisselend door regen
en zonlicht bestreken.
 
Op het verlaten strand
ratelt de branding
over grote kleurige kiezels
en brengt ladingen
bruinwier binnen,
vroeger door boeren
geoogst voor bemesting
van hun velden.
 
De zee en wolken
raken elkaar in mist.
Een onverwachte
scherpe kreet
van een grote mantelmeeuw,
verstart een eenzame
blauwe reiger,
die zich sierlijk verheft
en verdwijnt
over het bedekte water.
 
In de cottage
voor het vuur
slapen twee zwarte honden
en de pen vult
het witte papier.


04/03/2026

Mangan's Bay

Eerder gepubliceerd in:het Engels in: Southword, issue number 8 - New writing from Ireland, December 2004. 


Mangan’s Bay
 
Komend vanaf Moord
passeert een karrenspoor
een witte cottage,
verscholen achter foksia’s
en gaat dan neerwaarts
naar de rotsen
van Mangan’s Bay.
Boerenzwaluwen scheren
over het pad,
een viertal kwettert
op een draad.
Net voor het strand,
zit een blauwe kiekendief,
omringd door
drie woedende eksters,
stoïcijns op een hek.
Het veld
boven de cottage
is vol met bloemen
en geeft
een enorm uitzicht
over de baai,
waar jan-van-gents
als speren
het water snijden.
Langzaam
verdwijnt
de rode zon
achter de heuvels
van Oost-Cork
en verandert de hemel
in vuur en vlam.
Aalscholvers vliegen laag,
als zwarte schaduwen
over het afgaand tij,
naar hun nachtelijke roest
in de monding
van de Blackwater.
De vuurtoren
geeft zijn eerste licht
aan een passerende tanker
en een vissersboot
op weg naar Youghal.


My very first James Joyce book

As a bookseller, I was working, between 1969 and 1975, in a bookshop in Dordrecht. For a couple of years, on the shelves of books translated from English, we had had a beautiful hardcover copy of James Joyce's Ulysses, with a extra volume of notes by the translator. It was a second edition from 1970. A regular customer, who was an English teacher and with whom I had often had discussions about literature, told me that he was reading that book of Joyce's again, in English, but now with the Dutch translation beside it.
It was, according to him, the best book ever published in the 20th century until now. Making me very curious about it, I decided to purchase that copy of the book myself. Because the price was too high for my pocket at the time, I left it where it was, intending to buy it the next month. Shortly after the talk with the customer, the owner of the bookshop popped in, as he was wont to do, complaining as always about the unsaleable titles in the shop and he gave as an example that eye-catching book of Joyce's. I told him, that he didn't need to worry about that particular book, as I intended to buy it myself in the coming month.

A few weeks later, the owner asked me if I had already taken the book home with me. I answered, that I was waiting for my salary at the end of the week. ''But where is the book then'', he asked. ''Just on the shelf'', I answered. I went to take it off the shelf, but saw only an empty space. ''It must have been stolen'', I said, with a fright. ''Are you sure of that'', he asked. ''What else could have happened, since I haven't sold it'', I replied in a disgruntled manner. He looked at me suspiciously and said: ''Then you will have to order it again, won't you''.

Two days later, I got information from the wholesaler, that the book was sold out and that there was no chance of a reprint. I felt terribly let down and decided to look for a second hand copy, which I found, only a week later, in a large antiquarian bookshop in Rotterdam. Who knows; maybe it was the very same copy from the bookshop where I was working.

Drie gedichten


I.

De schippersknecht
 
Op 18 oktober 1951 lag de Wisand, een aak
op stroom, dichtbij het Mallegat op de Maas
in Rotterdam, te wachten op een sleepboot
om terug te gaan naar het Roergebied
voor een nieuwe lading kolen.

De knecht was het dek aan het spoelen
en putte water met een emmer aan een touw.
Hij woonde op het schip in het vooronder,
samen met zijn vrouw, die zes maanden
zwanger was en hun drie jaar oude zoontje.
 
Terwijl hij de emmer terug in de rivier liet zakken
verloor hij zijn evenwicht en viel overboord.
Zijn zoontje speelde op dat moment op het dak
van de dekhut, waar de schipper en zijn vrouw woonden
 
Na achttien dagen tevergeefs stroomafwaarts zoeken,
vond de rivierpolitie hem onder het schip, vrijwel precies
op dezelfde plek waar hij was gevallen,
met het touw van de emmer nog om zijn hand gewikkeld.
 
In 1958 kreeg het zoontje te vergeefs
zwemles van school, in het drijvende zwembad
vlakbij de plek waar hij zijn vader had zien verdrinken.


II.

Tijdelijk
 
Nog voor zijn vader in de rivier gevonden was
moesten zij van het schip, want een nieuwe knecht
kwam in het vooronder. Zij trokken in bij zijn grootouders
op de Persoonshaven, een huis van  begin 20st eeuw.
 
Op de begane grond was een autohandel in tweedehands auto's.
De eerste verdieping werd bewoond door een vrouw zonder kinderen,
wiens man op zee zat. Zij was bevriend met zijn moeder,
hij moest haar tante Alie noemen.
 
Op de tweede woonden zijn moeder’s ouders en op de derde
een keurige man alleen, die altijd in kostuum naar zijn werk ging.
De zolder, onder het schuine dak, waren drie hokken van latwerk
waar de bewoners hun kolenvoorraad opsloegen.
Aan de voorkant was een kamertje, dat gebruikt werd
door de man van de derde en achter was hun kamertje
met een tweepersoons ledikant, een tafel plus twee stoelen
en een wieg voor de baby.
 
De etage van zijn grootouders had een  voor-, tussen- en achterkamer
met een keukentje. De achterkamer, waar de dag werd doorgebracht,
had een grote kast, de vroegere bedstee, vol kleding
en een grote Keulse pot met gezouten spek van Flakkee.
In de tussenkamer, aan beide kanten ingesloten door grote schuifdeuren,
stond het bed waarin hij vier jaar geleden ter wereld was gekomen
en zijn zusje binnenkort geboren zou worden.
 
De voorkamer, waar zijn vader opgebaard heeft gelegen,
was de mooie kamer. Hij mocht er alleen komen als zijn oma erbij was,
omdat daar haar goeie spullen stonden.
Hij kwam graag in die kamer, want staande in de erker
kon je in de verte de rivier zien met de sleepboten
en rijnaken, die af en aan voerden.


III.


Liefde op het eerste gezicht
 
Met haar weduwepensioentje
kon zij een huis voor zichzelf
en haar kinderen vergeten.
Een opleiding had zij,
op twee jaar huishoudschool na,
nooit gevolgd.
Er zat niets anders op
dan een man te vinden,
die haar en haar kinderen
wilde onderhouden.
 
Jonge vrouw, negenentwintig jaar,
weduwe met twee kinderen, zoekt
kennismaking met man van gelijke leeftijd,
met het oog op een vaste relatie.
 
Zo'n advertentie plaatste zij,
op advies van haar vriendin,
in een locale krant, want
het inwonen bij haar ouders,
was een uitzichtloze situatie.
Een brief, een onverwachte reactie,
hij zesentwintig jaar oud, kwam uit
het oosten van de stad en woonde
nog bij zijn moeder, die lid was
van het Leger des Heils.
Waarschijnlijk liefde op
het eerste gezicht, want korte
tijd later waren zij getrouwd.