Pages

05/03/2026

De Misantroop


I.
 
Op een herfstige vrijdagavond in 1981, net voor sluitingstijd, bezocht Versluis voor het eerst mijn boekhandel. Ik zat achter in de winkel aan mijn bureau en had, tot op dat moment, die avond nog geen klant gezien. Versluis was van middelbare leeftijd, grijzig haar, een nors gezicht en droeg een grijs kostuum, een wit overhemd met stropdas, daarover een crème kleurige regenjas. Ik stond op, liep naar hem toe en vroeg of ik hem kon helpen. Hij antwoordde, dat hij geïnteresseerd was in de verzamelde werken van F.C. Terborgh, die in de etalage stonden. Ik pakte de vier delen en liet ze hem zien. Nadat Versluis ze ingekeken had, zei hij, dat hij ze wilde hebben en legde er geld voor op de toonbank. Ik deed de delen, tezamen met een aantal folders over Nederlandse litteratuur, in een plastic tasje. Met een bijna onverstaanbare groet verliet Versluis daarna de winkel.
Twee weken later liep Versluis er weer op vrijdagavond binnen. Hij gaf een lijstje met titels van nog te verschijnen boeken en vroeg deze boeken voor hem te reserveren. Ik zag, dat hij op het lijstje zijn naam en adres had geschreven en zei hem, dat ik een kaartje zou sturen zodra de boeken binnen waren. Versluis vond een kaartje niet nodig en antwoordde, dat hij elke vrijdagavond langs zou komen om te kijken of er iets voor hem was aangekomen.
Versluis kwam vanaf dat moment trouw elke week, kocht de boeken die voor hem gereserveerd waren en tevens nog wat titels uit de winkelvoorraad. De wekelijkse aankopen werden steeds groter, bijna alle Russische vertalingen van uitgeverij Van Oorschot, werken over geschiedenis, klassieken van uitgeverij Athenaeum, verzamelde werken en diverse Nederlandse en vertaalde auteurs.
Contact met Versluist had ik bijna niet, zijn enige conversatie was:  Kunt u dit bestellen, deze wil ik hebben, wat moet ik u betalen en tot de volgende week.
Dit ging zo een paar jaar door, totdat het mij opviel, dat Versluis al een aantal weken niet meer was geweest. De stapel gereserveerde boeken werd steeds groter. Ik besloot toch maar een kaartje naar hem te sturen met de vraag of hij contact op wilde nemen. Na een week kwam er een man de winkel binnen, die zich bekend maakte als een familielid van Versluis. Hij vertelde mij, dat Versluis, nadat deze de laatste keer in mijn boekhandel was geweest, een honderd meter verder op de oversteekplaats van de Henegouwerlaan was aangereden. Hij was er slecht aan toe, een van zijn knieën was totaal verbrijzeld en hij lag sinds die tijd in het ziekenhuis. Er moesten nog een paar operaties plaats vinden, waarna hij zeker nog een aantal maanden moest revalideren.
Versluis liet vragen of ik alle boeken, waarvan ik vermoedde dat hij belangstelling had, apart wilde houden. Hij zou dan, zodra hij daartoe instaat was, ze in één keer op komen halen. Ik beloofde dit te doen en vroeg de man het adres van het ziekenhuis, zodat ik Versluis beterschap kon wensen. De week daarop liet ik door een bloemenhandel een flinke bos rozen in het ziekenhuis bezorgen.
 
Een paar maanden later stopte er op vrijdagavond voor mijn boekhandel een taxi, waar Versluis geholpen door de chauffeur en twee krukken uitstapte. Ik bood Versluis een stoel aan bij de toonbank en hij ging met moeite zitten. Hij bedankte voor de rozen, die ik hem gestuurd had en gaf me een lange lijst met boektitels. Hij vroeg mij of ik deze wilde bestellen en zei, dat hij voortaan al zijn boeken alleen nog bij mij zou kopen, want andere boekhandels hadden aan het verzoek van zijn neef, om de boeken te reserveren, niet willen voldoen. Na een kort gesprek over de beweegredenen van mijn collega boekverkopers, vroeg ik of hij misschien een kop koffie wilde. Versluis antwoordde, dat als het niet te veel moeite was, hij dit graag accepteerde. Tijdens de koffie ontstond er een aardige conversatie over litteratuur en geschiedenis. Na een klein uurtje maakte ik de rekening voor de boeken op. Het was een aanzienlijk bedrag dat Versluis moest betalen, maar dat was geen probleem. Naast het bedrag van de rekening gaf hij nog een briefje van duizend extra en zei, dat ik dit als tegoed moest opschrijven, omdat als er onverhoopt iets met hem gebeurde de boekhandel geen schade zou hebben. Kort daarop kwam de inmiddels door mij gebelde taxi voorrijden. Ik laadde twee grote dozen met boeken in de kofferbak van de taxi en wenste Versluis, die inmiddels op de plaats naast de chauffeur zat, een goed weekeinde.


II.

Versluis kwam hierna weer elke vrijdagavond, alleen nu met een taxi en al rond 7 uur en ging dan pas om een uur of 10 weer weg. Tussen de gesprekken over boeken vertelde hij mij, dat hij was geboren op Kinderdijk, het dorp met de molens, vlakbij Rotterdam. Na zijn schooltijd was hij in Capelle a.d. IJssel, als jongste bediende, op het kantoor van een scheepswerf gaan werken, waar hij zich had opgewerkt tot boekhouder. Rond zijn twintigste was hij op kamers in Rotterdam gaan wonen. Omdat ongeveer een jaar voor het ongeluk de vele boeken een probleem gingen vormen bij zijn laatste hospita, had hij maar besloten een woning te huren.
''Ik heb ooit eens een leuk vrouwtje ontmoet'', vertelde hij op een avond: ''Ze woonde ergens in Ommoord in een hoge flat. Ik was er elk weekeinde, ze kookte dan voor me en zorgde dat er een goede cognac in huis was. Als ze ’s avonds in de keuken bezig was, keek ik televisie. Dat ding stond in de hoek bij het raam, zodat ik niet alleen het wereldnieuws zag, maar ook alles wat er in Ommoord in de andere flats gebeurde. De meeste Nederlanders doen hun gordijnen niet dicht, omdat ze willen laten zien hoe goed ze het hebben. Wat me opviel was, dat waar ik ook keek, ik mannen zag zitten in een luie stoel voor dat rot ding, terwijl hun vrouwen in de keuken bezig waren met het eten koken of met de afwas. Na een heleboel van die weekeinden kon ik het niet meer aan zien, ik ben opgestaan, heb mijn jas aangetrokken en ben zachtjes weggegaan. Ik heb haar nooit meer gezien. Dat samenleven wordt op een gegeven moment een sleur, je hebt er niets aan. Kijk nou is naar jouw huwelijk, is dat zo lekker? Ik hoor wel eens wat als ik hier zit. Ze is nooit thuis als je haar nodig hebt, ze is dan naar haar moeder, naar de stad, het strand, of weet ik veel waar naartoe. Soms als je ziek bent vervangt ze je op haar manier, maar dan loopt ze wel de hele dag te klagen. Ach ja, ze zet wel eens koffie en kookt je eten ’s avonds, maar daar heb je geen vrouw voor nodig''.
 
Een jaar na zijn ongeluk ging Versluis weer aan het werk. Het lopen bleef pijnlijk, hij gebruikte nog altijd een kruk en ging daarom elke dag naar Capelle a.d. IJssel heen en weer met een taxi, die betaald werd door de verzekering. Na verloop van tijd en na vele keuringen gaven ze hem een aangepaste auto, omdat ze inzagen, dat de taxikosten nog wel jaren konden gaan duren. Maar hij had de auto nog geen jaar, toen de scheepswerf in financiële moeilijkheden kwam. Er zouden vele mensen ontslagen gaan worden. Versluis konden ze nog wel een tijdje gebruiken, maar hij wilde niet meer en stelde de directie voor om hem maar te ontslaan, zodat in zijn plaats een jonge vent met een gezin kon blijven werken. Hij kreeg zijn zin en ging de w.w. in en moest daarna natuurlijk regelmatig solliciteren, maar gelukkig voor hem wilde niemand een 55 jarige manke boekhouder hebben, die niets van computers wist.
''Moet je die duizend gulden niet terug hebben, die je mij gegeven hebt als voorschot?'' vroeg ik hem op zekere dag. “Je moet niet denken, dat je van me af bent”, antwoordde hij: “Ik ben niet voor niets 30 jaar boekhouder geweest. Al die jaren heb ik goedkoop geleefd. Geen vrouw en kinderen, begrijp je, dus ik heb een aardige spaarrekening, waarmee ik nog heel wat boeken kan kopen en als dat geld op is zijn we zeker heel wat jaren verder en daarna zet ik er een punt achter.”
Na zijn ontslag kwam Versluis ’s morgens in plaats van op vrijdagavond. Meestal op vrijdagochtend om half elf en hij bleef dan tot een uur of drie in de winkel zitten. Ik schonk hem ongeveer elk uur een kop koffie in en hij bekeek op zijn gemak de rondlopende klanten, terwijl hij constant shagjes rookte. Hij voelde zich bezwaard voor al die koffie, want na korte tijd werd het een vast ritueel, dat hij maandelijks een pak koffie en suiker meenam, zodat ik geen extra kosten aan hem had. Als de vervoerscentrale om ongeveer 1 uur dozen met boeken bezorgde, stond Versluis op en bleef nieuwsgierig, als een kind naar de zak van Sint-Nicolaas, bij mij staan totdat ik alles had uitgepakt en hij reserveerde gelijk de titels die hij wilde hebben.


III.
 
Kort nadat ik gescheiden van mijn vrouw was, nodigde hij mij uit om op een avond een biertje bij hem te komen drinken. Omdat ik benieuwd was naar zijn boekenverzameling maakte ik gelijk een afspraak met hem voor de volgende dinsdag. Ik moest van hem na het aanbellen een paar stappen terug doen, zodat hij door het raam kon zien dat ik het was, want hij vertelde me, dat hij normaal nooit open doet.
Die dinsdagavond wandelde ik naar Versluis' huis, belde aan en terwijl ik achteruit liep zag ik hem de gordijnen opzij schuiven. Ik stak mijn hand op ging terug naar de deur. Na een paar minuten hoorde ik een sleutel in het slot en de deur ging open. Versluis nodigde me uit binnen te komen en waarschuwde  zijn nek niet te breken over de rommel, want het licht was kapot. De gang was bezaaid met folders en oude kranten en er hing een muffe, vochtige lucht. Ik volgde Versluis een kale trap op en kwam op een donkere overloop, waar het rook naar een mengsel van bloemkool en spruiten, die dagen hadden staan pruttelen. Hij opende een deur en liet me voor gaan. Ik keek mijn ogen uit; het was een lange smalle kamer, waar ik ook keek zag ik boeken. Drie wanden waren bekleed van vloer tot plafond met volgepropte boekenkasten, op de vloer voor de kasten stonden stapels boeken van meer dan een meter hoog en op de vensterbank lagen twee rijen boeken, overwoekerd door een enorme kamerplant. Onder het raam, verlicht door een staande schemerlamp, stonden een oude fauteuil en een soort kloostertafel, bedekt met boeken en vuil serviesgoed. Aan de andere kant van de kamer, naast een deur in de boekenkast, stond een zelfde groep meubilair. Alles in het huis was smerig, helaas ook de prachtige boeken die Versluis had verzameld. Hij zei dat ik kon gaan zitten en ging de kamer uit. Hij kwam terug met twee flesjes bier, die hij opende met een rondzwervende nijptang en gaf mij een flesje. Met een soort theedoek probeerde hij een vuil glas, dat hij tussen de boeken vandaan te voorschijn toverde, schoon te maken en vroeg mij of ik ook een glas wilde. Ik zei maar gauw dat ik liever rechtstreeks uit het flesje dronk en proostte op zijn gezondheid.
Natuurlijk ontstond er, na wat anekdotes uitgewisseld te hebben, een gesprek over boeken, met name over de Russische geschiedenis en -litteratuur, waarmee Versluis meer dan twee kasten vol had staan. Het was duidelijk dat Rusland zijn grote liefde was en dat hij een enorme bewondering had voor Tsjechov. Tsjechov was fenomenaal, volgens Versluis. Hij was de grootste aller Russische schrijvers. Als iemand iets wil weten over het Russische leven, dan moet hij de verhalen van deze schrijver lezen. Hij schreef ze in de negentiende eeuw tijdens het tsarisme, maar men kon ze ook plaatsen tijdens het zogenaamde communisme, of nu, na de val van het communisme in het nieuwe Rusland. Er zal daar niets veranderen, een Rus blijft een Rus.
Versluis had een zwak voor Rusland, waarom was me niet helemaal duidelijk, want ik had begrepen dat hij niets van het communisme moest hebben. Misschien omdat het land zulke grote schrijvers had voortgebracht. Voor andere landen had Versluis geen goed woord over en hij hekelde in het bijzonder de westerse kapitalistische landen, dat waren allemaal grote boeven. Eigenlijk was in zijn ogen de hele politieke wereld rot en misdadig en het stomme volk liet zich met loze beloften maar zoet houden. Af en toe probeerde ik wat tegen zijn negativisme in te brengen en merkte onder andere op, dat er de laatste honderd jaar toch wel wat was verbeterd in de wereld, maar toen ik daarvan een voorbeeld gaf, wuifde Versluis het achteloos weg en zei bijna agressief: ''Je begrijpt er niets van, je laat ook inpakken, wacht maar af, je komt er wel achter''.
Inmiddels werd de druk op mijn blaas te veel, ik stond op en zei, dat ik even van het toilet gebruik ging maken. Ik liep de kamer uit en koos in de donkere gang de verkeerde deur, zodat ik plotseling in de keuken stond. Het stonk er, op het smerige fornuis stond een steelpan met wasgoed te dampen en op het aanrecht lagen boeken tussen vuil servies. Ik draaide me om, ging de gang weer in en hoorde vanuit de kamer, dat ik rechtsaf had gemoeten. Ik deed de andere deur open, wist het lichtknopje te vinden en er openbaarde zich een w.c. die in jaren niet was schoongemaakt. Naast de toiletpot en op de vloer in de douche ruimte lagen vuile kleren. Ik deed mijn behoefte zo snel mogelijk, pakte de hoogste plek van het stuk touw dat aan de trekker hing en trok door. Er klonk wat gesputter, echter wat er moest gebeuren, gebeurde niet. Ik probeerde het nogmaals, maar er kwam geen water door de pijp naar beneden. Wederom klonk de stem van Versluis vanuit de kamer, die mij riep, dat het ding al weken kapot was en dat hij later wel een emmer water in de pot zou gooien. Ik deed het licht uit en keerde terug naar de woonkamer, waar Versluis zijn complete verzameling kleine boekjes van de Klassieke Galerij te voorschijn had gehaald. Hij liet ze een voor een aan mij zien, zoals andere mensen foto's tonen.
Toen ik mijn vierde biertje op had, vond ik het genoeg en zei tegen hem, dat ik naar huis moest, omdat ik met mijn hond nog een rondje wilde lopen en dat het arme beest ook nog niet gegeten had. Versluis volgde mij de donkere trap af met een zaklantaarn en zei: ''Tot vrijdag'' en deed de buitendeur achter mij op slot.


IV.
 
Het was ongeveer een jaar later, dat ik aan Versluis vertelde, dat ik kennis had gemaakt met een Engelse vrouw, een zangpedagoge en klassiek zangeres. Ik kende haar al een aantal weken en zou binnenkort met haar op bezoek gaan bij haar vader in Engeland.  Hij schudde verbaasd zijn hoofd en mompelde, dat ik niet goed wijs was. Hij legde met een klap het boek neer wat hij in zat te kijken en zei geagiteerd: ''Hoe kom je erbij? Twintig jaar van je leven verpest met dat vorige wijf en na een jaar van rust begin je aan de volgende ellende. Ik dacht dat je met een vriend naar Ierland zou gaan. Laat je hem nou stikken?'' ''Helemaal niet'', antwoordde ik lachend: ''Ik ga eerst met haar voor een week naar Somerset, van daaruit rij ik met de auto naar Fishguard in Wales, vaar dan over naar Rosslare en rij daarna naar Cork. Die vriend van mij gaat die zelfde dag met het vliegtuig vanuit Amsterdam en we zien elkaar dan de volgende dag in Cork, waarna we veertien dagen rond gaan trekken''. Versluis haalde zijn schouders op en mompelde iets onverstaanbaars. Ik schonk hem nog een koffie in en ging een klant helpen.
Een paar maanden na mijn vakantie stelde ik mijn vriendin, die inmiddels bij mij boven de zaak was komen wonen, voor aan Versluis. Terwijl ik bezig was met een vertegenwoordiger, had zij met Versluis een gesprek over haar werk als zangeres. Kort daarna, toen ze weer alleen waren, zei Versluis: ''Ze lijkt me op het eerste gezicht wel sympathiek en ze heeft een intelligentie die niet veel voorkomt bij vrouwen. Maar waarom ze nu gelijk bij je in moet trekken begrijp ik niet, je bent daardoor je vrijheid weer kwijt.'' ''Het kan iets met liefde te maken hebben,'' antwoordde ik hem met een glimlach en vervolgde: ''Ik heb haar daartoe zelf uitgenodigd, want ik vind de relatie met haar belangrijker dan mijn zogenaamde vrijheid. Echte vrijheid bestaat niet, de vrijheid waar jij het over hebt noem ik eenzaamheid.'' ''Nou, daar zijn we het dan niet over eens'', reageerde hij nors: ''Ik heb vrijheid, ik kan doen en laten wat ik wil, trouwens die liefde waar jij het over hebt kan zo over zijn en dan begint het gelazer weer opnieuw.'' ''Nog een kop koffie?'' vroeg ik. ''Nee, laat maar, pak mijn boeken maar in, ik denk dat ik maar eens op huis af ga,'' antwoordde hij: ''Het is al bijna vier uur''.


V.
 
Mijn vriendin, kwam tussen het lesgeven meestal 's morgens de winkel in voor een kop koffie en bracht mij rond het middaguur mijn lunch. Zo ook elke vrijdag als Versluis op zijn stoel achter in de winkel zat. Langzamerhand ontstond er tussen haar en hem een zeker vertrouwen en hij luisterde met plezier naar haar verhalen over haar optredens en lespraktijk. Hij ging zelfs zo ver, dat hij een aantal keren een concert van haar bezocht en aan mij bekende zeer onder de indruk te zijn van haar stem.
Inmiddels gingen de zaken in de boekhandel steeds verder achteruit. De afbraak van de oude huizen veroorzaakte, dat de klanten, waaronder vele studenten uit de wijk verdwenen waren. De gerenoveerde en nieuw gebouwde huizen werden voor een belangrijk deel bevolkt door mensen uit andere culturen. Dit waren voor groot deel laag opgeleide mensen, die niet geïnteresseerd waren in de voorraad van mijn boekhandel. Ik probeerde het nog met een collectie Surinaamse en Antilliaanse boeken en Engels – en Nederlandstalige series van derde wereld schrijvers, maar het mocht allemaal niet baten. De zeldzame kopers van deze boeken, waren meestal Nederlanders die vanwege hun werk te maken hadden met immigranten.
Op advies van de bank en een aantal vrienden ging ik op zoek naar een andere locatie. Ik vond deze in een door de gemeente ontwikkelde zogenaamde kunststraat, in de buurt van oude en nieuw gebouwde musea. Mijn oude pand werd tot mijn verbazing heel snel verkocht aan een belegger uit Hongkong en ik huurde van de gemeente het nieuwe pand in de kunststraat. Samen met vriendin was ik een maand bezig met de inrichting en de verhuizing. De dag van de opening was grandioos, nog nooit had ik zulk een omzet gehad. Iedere bezoeker was laaiend enthousiast en ik ging er vanuit, dat mijn zaak een goede toekomst tegemoet ging.
Ook Versluis was erg enthousiast over de nieuwe winkel. Hij kwam ook daar elke vrijdag, alleen hij was er pas rond elf uur, omdat de loopafstand was verdrievoudigd. Halverwege wist hij een bank, waarop hij een kwartiertje kon uitrusten, want met dat been van hem was het onmogelijk de afstand in een ruk te overbruggen. Alleen als het erg slecht weer was, dan nam hij de tram.
Hij klaagde al een tijdje over doofheid en pijn in zijn linker oor en zei dat het steeds erger werd. Ik had hem al verscheidene keren geadviseerd een bezoek te brengen aan een oorarts, maar hij gooide het telkens op ouderdom. Doch op zekere dag vertelde hij mij dat hij in Dijkzicht bij een oorarts was geweest en dat het probleem was opgelost. Er was gebleken, dat er in zijn oor een stuk watten van waarschijnlijk een wattenstokje was verzeild geraakt en dat de arts het verwijderd had. Wel was zijn oor nog ontstoken, maar zijn gehoor was al een stuk beter.


VI.
 
De zaken gingen in mijn boekhandel niet veel beter dan in het oude pand. De zogenaamde kunststraat ontwikkelde zich niet zoals de gemeente had beloofd. Inmiddels waren er wel een architectuur museum vlakbij en een foto museum aan de overkant geopend, maar het publiek van deze instituten liet de kunststraat verder links liggen. Ook omdat de musea, waaronder o.a. ook Boymans die vijf minuten verder zat, zelf boeken verkochten. Die boekenverkoop gebeurde daar ook op zondagen als mijn boekhandel verplicht gesloten was. Ik liet het er niet bij zitten en ging op zondag illegaal open. Doormiddel van advertenties maakte ik het kenbaar aan het publiek. Na een aantal zondagen kwam er een agent van het politiebureau in straat de zaak in en vroeg aan mij waarom de zaak open was. Ik vertelde de agent dat ik geld wilde verdienen, maar dat ik geen toestemming had om mijn zaak op zondag open te stellen. De agent zei me, dat hij het door zou geven aan zijn superieuren en verdween op zijn fiets. Een paar uur later bezocht een brigadier mijn zaak en ik legde hem uit dat Boymans, een gemeente museum, een boekhandel heeft waar een ieder, zelfs zonder museum bezoek op zondag kan binnenlopen en boeken kan kopen. Waarom zou mijn boekhandel dan niet open mogen zijn? Deze politieman wenste mij veel succes en wandelde terug naar zijn bureau. In de weken daarna werd ik regelmatig ondervraagd door journalisten van lokale en landelijke dagbladen en zelfs de nationale radio had belangstelling.
Mijn boekhandel werd ook op een zondag bezocht door de burgemeester en zijn partner, zij stelden zich aan mij voor maar spraken niet over openingstijden. Zij bekeken een kwartiertje wat boeken en verlieten de zaak zonder aankoop.
In het begin had ik het door de publiciteit een stuk drukker, maar na ongeveer een half jaar openden in den lande vele winkels en warenhuizen hun deuren op zondag, daar de wet het inmiddels toestond. Hetgeen betekende dat de aanloop op zondag bij mijn boekhandel weer terug liep.
Iets langer dan een jaar later had ik een lang gesprek met mijn boekhouder, ik zag het niet meer zitten in de kunststraat. Mijn boekhouder adviseerde me er per direkt mee te stoppen en ik sloot, na een opheffings uitverkoop, de boekhandel waarin ik zo'n 30 jaar van mijn leven had doorgebracht. Versluis was diep teleurgesteld, maar ik sprak met hem af dat het geen einde van ons contact behoefde te zijn en stelde voor dat we de vrijdagen gewoon bij mij thuis konden voortzetten. Het geen ook een half jaar lang gebeurde, maar daarna kwam er langzaam de klad er in. Ik zag Versluis steeds minder en na verloop van tijd was het helemaal afgelopen. Ik ging wel eens naar zijn huis maar er werd nooit opengedaan en telefoneren was niet mogelijk daar Versluis dat apparaat nooit in huis had willen hebben.
 
Voordat ik naar Ierland emigreerde ging ik voor de laatste maal naar het huis van Versluis. Ik belde aan en er werd opengedaan door een Turkse vrouw. Ik vroeg haar of zij ene Versluis kende. Zij antwoordde in half verstaanbaar Nederlands dat zij nooit van die naam had gehoord en dat zij er pas een half jaar woonde. Op mijn weg terug zag ik op de hoek van de straat het buurtwinkeltje waar Versluis altijd zijn boodschappen deed. Ik ging er naar binnen en vroeg het meisje aan de kassa naar de eigenaar. Zij wees naar achteren waar een man vakken aan het vullen was. Ik liep naar hem toe en vroeg hem of hij Versluis van nummer 35 kende. De naam kende hij niet, maar wel die mijnheer van 35 met dat manke been. Hij bezorgde er altijd bier en wat etenswaren, maar toen opeens was hij verdwenen en een tijd later werd het huis gerenoveerd. Hij wist niet waar hij naar toe was gegaan. Thuis gekomen belde en schreef  ik naar diverse instanties, maar die wilden of konden geen informatie verstrekken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.